Billy het bankbiljet: een hoogwaardig didactisch hulpmiddel of gesubsidieerde staatspropaganda?

Afgelopen week kwam ik op de website van RTL-Z een strip van De Nederlandsche Bank (N.V.) (DNB) tegen. DNB biedt op haar website aan middelbare scholieren en andere geïnteresseerden de strip “Billy het bankbiljet en de pijnlijke prijsstijging” aan. DNB zet in deze strip kort uiteen hoe inflatie wordt veroorzaakt. Deze, reeds tweede editie legt in vier pagina’s de rol van DNB (en de Europese Centrale Bank (ECB)) uit: DNB bewaakt de prijsstabiliteit en bestrijdt inflatie!

Met verbazing heb ik de strip doorgelezen. De uitleg die DNB in de strip geeft, is zwaar onvoldoende. En zelfs dat is een understatement. Wat DNB in de strip uitlegt, zijn niet de oorzaken van inflatie maar betreffen andere effecten van inflatie. U mag het volgende nooit vergeten: inflatie is een monetair fenomeen, altijd en overal.

Volgens (de strip van) DNB heeft inflatie twee oorzaken. Ten eerste kan er sprake zijn van kostenstijgingen, bijvoorbeeld in: “grondstoffen of energie”. Ten tweede kan er sprake zijn: “dat de bestedingen stijgen”. In de strip staat: “In beide gevallen stijgen de prijzen en dat noemen we inflatie. Je kunt minder kopen met je geld”. Wat volgt is niet alleen veel te kort door de bocht, het legt inflatie foutief uit.

De essentie van inflatie is vrij simpel. Er is een x hoeveelheid geld en een y hoeveelheid krediet in de economie. Y is (tegenwoordig) een meervoud van x. Meer X is nodig om Y te vergroten. DNB creëert geld, dus X. Geldscheppende instituties, dat zijn banken met een banklicentie, creëren krediet, dus Y, en lenen hiervoor bij DNB X, en/of halen dit (spaar)geld X uit de markt.

De strip geeft een onjuiste voorstelling van zaken. DNB lijkt op deze manier zich te gedragen als een propper die mensen naar binnen probeert te lokken, ondanks dat de welbespraakte wijze en de substantie waarmee het publiek aangesproken wordt van een hele andere orde zijn. Maar in alle eenvoud, de verkondigde boodschap en het geschetste beeld kloppen helemaal niet. Het gevolg is dat het publiek bedrogen (en/of er stomdronken) uit komt.

De verwarring en een foutieve uitleg ontstaan snel en gemakkelijk. De gemene deler bij inflatie en prijsstijgingen is dat beide inhouden dat de koopkracht afneemt. Bij de één is het een kwestie van geldontwaarding door het inflateren (het opblazen) van de geldhoeveelheid, bij de ander is het een kwestie van een koopkrachtvermindering van het inkomen, ofwel inkomensontwaarding. Dat is een wezenlijk onderscheid. Inflatie is een direct gevolg van centrale bankinterventies, namelijk ongedekte geld- en kredietcreatie. Prijsappreciaties (en depreciaties) zijn daarentegen het gevolg van marktwerking, en vinden bij uitstek haar oorzaak in geld- en kredietexpansie.

DNB is correct voorzover zij inflatie als een synoniem gebruiken voor koopkrachtverlies, maar DNB zit er fundamenteel naast door te stellen dat anderen effecten van inflatie de oorzaak zijn. Het verlies aan koopkracht van een enkele eenheid valuta begint bij het moment dat de centrale bank nieuwe eenheden uit het niets creëert en het banken toestaat op basis hiervan in een meervoud krediet te scheppen.

Het is eigenlijk buitengewoon kwalijk. DNB wekt de suggestie dat het door haar gevoerde ruime monetaire beleid van de jaren ’70, ’80, en ’90 van de vorige eeuw en de eerste jaren van deze eeuw geen onderdeel is van de problemen nu.

Men moet zich ten volle beseffen dat deze constante monetaire expansie een steeds grotere voorraad onderpanden noodzaakt. Onderpanden bij particulieren betreffen vrijwel altijd het eigen huis. Bij bedrijven zijn het de bedrijfsgebouwen, machines en andere inboedel, tot zelfs de naam van het bedrijf. Bij de overheid, de grootste schuldenaar in de economie, betreft het onderpand het toekomstige inkomen van burgers waar zij belasting op kan heffen. Inmiddels zijn we het inkomen van onze toekomstige kleinkinderen aan het aanspreken, en allemaal om de door ons collectief gecreëerde zeepbellen in stand te houden.

Het hardnekkige probleem is dat deze onderpanden hun papieren waarden aan het verliezen zijn. De zeepbellen lopen leeg. Dit fenomeen wordt het probleem van onderinvestering genoemd: de schulden zijn hoger dan de waarde van onderpanden. Dit is een groot probleem, het werkt namelijk pro-cyclisch, of cumulatief zoals u wilt. Zodra consumenten en bedrijven kopje onder gaan omdat zij hun financiële lasten niet langer kunnen dragen en hun onderpand moeten liquideren dan blijven zij met restschulden achter. Dan hebben ook banken een probleem: slechte activa.

Inmiddels weten we dat de Staat dan ingrijpt. Het redt banken, en gebruikt direct of indirect het instrumentarium van centrale banken en het parlementaire monopolie om wetten en regels te veranderen, om zodoende de geaccumuleerde papieren welvaart in stand te houden. Het is buitengewoon teleurstellend dat het parlement toestaat dat de gezamenlijke rekening voor de samenleving op deze wijze vergroot wordt. Dat dit beleid bovendien ook nog eens averechts werkt, is nog vele malen kwalijker.

De strip suggereert met een op superman geïnspireerde slogan: “De Nederlandsche Bankman to the rescue”, dat zij onderdeel van de oplossing is. Het tegenovergestelde is waar. DNB is onderdeel van de oorzaken van de financiële ellende van vandaag. Let wel, de Nederlandse Staat is via het Ministerie van Financiën voor de volle honderd procent eigenaar van DNB. Al sinds 1948 overigens, toen het de bank nationaliseerde.

De Nederlandse Staat middels het Nederlandse parlement, De Nederlandsche Bank, en de Nederlandse grootbanken zitten wat mij betreft in een driehoeksverhouding. Onze volksvertegenwoordiging gedraagt zich als een brave huisvrouw die voor de lieve vrede de andere kant opkijkt. De portemonnee is goed gevuld en zij kan elke dag haar verkregen centjes uitgeven aan alle hobby’s die zij er inmiddels op nahoudt. Dat zij het geld van onze kleinkinderen alvast uitgeeft, dat is hun probleem. Laten we het hen vooral niet weten, laat staan eerlijk uitleggen.

Zegt u het maar, Billy het bankbiljet: hoogwaardig didactisch hulpmiddel of gesubsidieerde staatspropaganda.

De editie over de toezichthoudende rol van DNB belooft nog veel goeds. Voor het geval men overweegt te suggereren dat DNB het publieke belang hoger acht dan het belang van (excessief winstgevende en) gezonde banken, doe het niet. Wees eerlijk. De stabiliteit van hoe de huidige financiële markten werken, hangt af van de geldpers. Van inflatie dus. Die schijnstabiliteit verdwijnt echt niet door het fundamentele probleem van ongedekte geld- en kredietcreatie en de tegenstrijdigheid van de belangenbehartiging door DNB onbehandeld te laten. Die moet men juist aanspreken. Ik stel voor: “Billy het bankbiljet en de dilemma’s van tegenstrijdige belangenbehartiging”.

Net als doktoren moeten economen en economische beleidsbepalers naar de oorzaken kijken en onderscheid maken in de aard van oorzaken. Vervolgens komt men met een behandelplan. Als men de symptomen verward met de oorzaak en dus een verkeerd behandelplan opstelt, dan moet men oppassen. Het kan een doodlopende weg blijken te zijn. Helemaal wanneer de patiënt doodziek is.

Als wij deze strip serieus moeten nemen, dan behandelt DNB de symptomen van haar eigen medicatie-plan, en doet het de suggestie daarmee de oorzaak te behandelen. Kwakzalverij is nu net iets dat we er niet bij kunnen hebben.

Vrijdag 3 september j.l. was het 5 jaar geleden dat mijn moeder overleed. Zij kreeg een wel heel bijzondere eerste diagnose. Mijn moeder mocht ‘s avond een glaasje wijn drinken (..ze dronk geen druppel); er was niets aan de hand. Zij werd naar huis gestuurd met een kwaadaardige tumor (galweg-kanker) terwijl de radioloog dit onomwonden had gerapporteerd aan de arts.

Mijn motivering om altijd eerlijk te zijn, begrijpt u hopelijk. DNB is geenszins verantwoordelijk te achten voor de onjuiste diagnose van mijn moeder. De reden dat ik dit persoonlijke leed met u deel is van een andere orde. Het gaat mij, net als toen, om de gemakzucht waarmee een schijnwerkelijkheid verkondigd wordt. Wanneer eerlijkheid niet langer het hoogste doel is, en deze fiduciaire verplichting niet langer door gezagdragers gediend wordt, hoe kunnen wij dan blindelings blijven vertrouwen op een goede afloop?

3 Replies to “Billy het bankbiljet: een hoogwaardig didactisch hulpmiddel of gesubsidieerde staatspropaganda?”

  1. Mooi stuk. Ik zou alleen dit stukje ietsje beter uitleggen:
    “De gemene deler bij inflatie en prijsstijgingen is dat beide inhouden dat de koopkracht afneemt. Bij de één is het een kwestie van geldontwaarding door het inflateren (het opblazen) van de geldhoeveelheid, bij de ander is het een kwestie van een koopkrachtvermindering van het inkomen, ofwel inkomensontwaarding. Dat is een wezenlijk onderscheid. Inflatie is een direct gevolg van centrale bankinterventies, namelijk ongedekte geld- en kredietcreatie. Prijsappreciaties (en depreciaties) zijn daarentegen het gevolg van marktwerking, en vinden bij uitstek haar oorzaak in geld- en kredietexpansie.”

  2. Allereerst, dank je.

    Uitleg? Ik zat hier al wat mee te spelen bij het schrijven. Ergens ben ik epistemologisch aan het neuzelen. Economische terminologie is voor velerlei uitleg vatbaar.

    Prijsfluctuaties in de zin van vrije marktwerking zijn simpelweg het resultaat van veranderingen in verhoudingen tussen vraag en aanbod. Gaat de vraag omhoog, blijft het aanbod gelijk, en blijft de kostprijs van produceren ook gelijk, dan neemt de prijs toe. Zo zijn er nog wat van dit soort stellingen. Het gaat dus om pure veranderingen in vraag- en aanbodcondities. Dit kunnen kostenstijgingen zijn door een grotere concurrentie voor grondstoffen, denk bijvoorbeeld aan de toenemende energieconsumptie van de gemiddelde Chinees. Bottom-line, het is vraag en aanbod. Niks mis mee: het dwingt ons om effectiever te worden. Neemt niet weg dat de koopkracht van het inkomen door dit soort prijsstijgingen afneemt.

    Echter, zodra nieuw geld wordt toegevoegd door middel van geld- en kredietcreatie (=inflatie), dan gaat dat nieuwe geld (feitelijk bestaat dat dus grotendeels uit krediet) bieden op de huidige voorraad aan (kapitaal)goederen en diensten. Nieuw geld maakt het bieders mogelijk om meer te bieden. Immers, zij hebben die financiële middelen geleend: hogere bestedingen zijn het gevolg. Geld- en kredietcreatie betekent dus dat de koopkracht van bijvoorbeeld een euro verminderd wordt, en hierbij is het gevolg dat wanneer krediet wordt ingezet om te bieden op grondstoffen dat dit dit overal de kosten opdrijft. Prijsstijgingen zijn dus het gevolg van inflatie, en zeker niet de oorzaak.

  3. Aan de hand van een kinderstrip zo’n uitgebreid (maar toch helder) artikel, hulde.
    Ben het absoluut eens met de tendens van het artikel, en waar ik nog altijd van op kijk is dat inflatie als ‘gegeven’ wordt beschouwd…

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.